top of page

Slechte slaap kan in je DNA zitten, maar je kunt er vaak iets aan doen

Een vraag, die cliënten mij regelmatig stellen is: is mijn slechte slaap aangeboren?
Een vraag, die cliënten mij regelmatig stellen is: is mijn slechte slaap aangeboren?

Wetenschappers van het Radboudumc hebben recent ontdekt dat specifieke genen - de zogeheten FOXP-genen - een directe rol spelen in hoe goed je slaapt. Kinderen met een fout in het FOXP1-gen bleken structureel slechter te slapen.


FOXP1 helpt bij het aansturen van andere genen, vooral tijdens de ontwikkeling. Als het niet goed werkt, kan dat invloed hebben op hoe de hersenen en andere organen zich vormen. De kans dat jij slecht slaapt omdat je een fout hebt in je FOXP1-gen is wel heel erg klein. In Nederland zijn slechts vijftig patiënten bekend.


Is slechte slaap aangeboren?

Waarom het onderzoek mij triggerde, is omdat het appelleert aan een vraag, die cliënten mij regelmatig stellen: is mijn slechte slaap aangeboren? Het korte antwoord is dat aanleg een rol kan spelen. Sommige mensen zijn gevoeliger voor slaapproblemen dan anderen. Ze reageren sterker op stress of hebben een biologische klok, die van nature iets anders tikt.


Maar als je denkt dat je slecht slaapt, omdat je vader of moeder dat ook deed en het nu ‘eenmaal in je DNA zit’, is enige nuancering op zijn plaats. Aanleg verklaart waarom je kwetsbaarder bent. Het verklaart niet per se waarom je nú slecht slaapt of waarom het niet maar niet beter wordt.


3-P-model

Slaapwetenschapper Arthur Spielman beschreef in de jaren tachtig hoe slapeloosheid ontstaat, en blijft aanhouden. Zijn 3-P-model onderscheidt drie lagen:


1.        Predisponerende factoren - de biologische gevoeligheid die je hebt meegekregen. Die kun je niet veranderen.

2.        Provocerende factoren - Stressvolle gebeurtenis(sen), die het probleem in gang zette(n). Een periode van overbelasting, een echtscheiding, een ziek familielid of geldproblemen.

3.        In stand houdende factoren - de gedachten en gewoontes die het slaapprobleem levend houden, al is de stress inmiddels verdwenen. Dit is waar het om draait.


Ik herkende mijzelf in alle drie. Aanleg: ja. Aanleiding: ook ja. Maar wat er vijf jaar lang voor zorgde dat ik slecht sliep, was de derde P. De manier waarop ik over slaap ging denken en wat ik allemaal deed om slaap te ‘forceren’. De angst die steeds groter werd om niet te kunnen slapen. De angst die ik nog weleens voel - het lichaam heeft een goed geheugen - maar die me nu niet meer wakker houdt.


Waar de hefboom zit

Cognitieve Gedragstherapie voor Insomnie  (CGT-I) richt zich op de derde P. Niet op je genen. Niet op de stressvolle gebeurtenis(sen) van destijds, maar op wat het slaapprobleem nu nog levend houdt. De overtuigingen die je 's nachts wakker houden (‘Als ik nu niet slaap, kom ik morgen de dag niet door’). De gewoontes die je slaapdruk ondermijnen (‘Ik ga maar alvast naar bed, misschien val ik eerder in slaap’). De slechte relatie die je hebt gekregen met je bed, die geen fijne plek meer is om uit te rusten.


Cognitieve Gedragstherapie voor Insomnie werkt bij 70 tot 80% van de mensen met chronische slapeloosheid. Niet door slaap te forceren, maar door de obstakels weg te nemen. Stel jezelf eens de vraag: wat doe ik elke dag allemaal om te proberen in slaap te vallen? En helpt het? Wie merkt dat al die pogingen weinig opleveren, behalve stress, is bij wie CGT-I het meeste verschil maakt.

Opmerkingen

Beoordeeld met 0 uit 5 sterren.
Nog geen beoordelingen

Voeg een beoordeling toe

©2025 Coachpraktijk Droomtroost

Met liefde en aandacht gemaakt om jou beter te laten slapen

bottom of page